Ali vs. Coopman
20.02.2026 – Ali vs. Coopman
Vijftig

Vijftig jaar geleden boekte Muhammad Ali zijn vijftigste profzege. Hij won door knock-out in de vijfde ronde van Jean-Pierre Coopman. “Cooperman”, zoals hij The Lion of Flanders steevast noemde.
Het gevecht om de wereldtitel in het zwaargewicht vond plaats op vrijdag, 20 februari 1976 in San Juan, de hoofdstad van Puerto Rico, het eiland dat geen staat is maar wel een territorium van de Verenigde Staten. Het Coliseo Roberto Clemente was met 12.500 toeschouwers helemaal uitverkocht. Allemaal fans van Ali, een aantal van hen tegelijkertijd ook aanhangers van Jean-Pierre Coopman of zelfs lid van zijn supportersclub Keihard.

Wie geld had, was meegereisd met de vakantieclub van dagblad “Het Laatste Nieuws.”
Wie thuis was gebleven, kon het gevecht volgen op tv. Rechtstreeks op Duitsland 1, ARD – immer noch Das Erste. Uitgesteld op BRT, de Vlaamse televisie, die toen nog Belgisch was en waarop boksen niet rechtstreeks mocht worden uitgezonden wegens te gewelddadig. Op BRT-radio mocht dat wel. Reporter ter plaatse Marc Stassijns zorgde voor de klankflitsen van de kamp. Verslaggever voor tv was Louis De Pelsmaeker.
Voor Ali was Coopman een tussendoortje na zijn moordpartij tegen Joe Frazier van 1 oktober 1975. The Thrilla in Manila, de laatste klassieker van The Greatest. Frazier gaf op voor het begin van de vijftiende en laatste ronde. Ali was net van plan hetzelfde te doen, alleen was zijn trainer Angelo Dundee dat tikkeltje moediger dan Eddie Futch, de trainer van Frazier. Ali noemde het “the closest thing to death”. Op de persconferentie voor zijn gevecht met Coopman bij Mamma Leone’s in New York vroeg Ali zich openlijk af waarom hij altijd gevechten op leven en dood moest leveren. Hij gaf Coopman de kans om voor zijn wereldtitel te boksen en eindelijk eens deftig zijn brood te verdienen. Wat was daar verkeerd aan?
Niets, oordeelde de World Boxing Association. De World Boxing Council erkende het wereldtitelgevecht evenwel niet en eiste bij monde van zijn sacrosancte voorzitter José Sulaiman dat de EBU Coopman zou schorsen. Dat wilden ook Harry Levene en Mickey Duff, Engelse promotoren van Richard Dunn, gedribbeld als zij waren door Kamp Coopman. Door zijn manager Charles De Jager, de kapper die weinig kapte, maar vooral door Georges Kanter, de vertegenwoordiger van Coopman in Amerika. Een Franstalige Brusselaar, zoon van een succesvol gantier. Hoog opgeleid en daarna uitgeweken naar de States, waar hij de fijne lederwaren van papa had ingeruild voor bokshandschoenen. De Engelsen hadden Coopman, nummer 1 op de Europese ranglijst, maanden aan het lijntje gehouden met het vooruitzicht op een Europees titelgevecht tegen Richard Dunn, terwijl ze zelf druk bezig waren voor Dunn een wereldtitelgevecht met Ali te regelen. Dat boorde Kanter hen door de neus, goed bevriend als hij was met Don King, promotor uit het volk, voor het volk en door het volk. Only in America. Coopman paste perfect in dat plaatje en was naar Amerikaanse standaarden ook niet zo duur, 50.000 dollar. Ali kreeg als icoon en kampioen 1,1 miljoen, of daaromtrent.
Het was op die persconferentie in New York dat Ali en Coopman elkaar voor het eerste ontmoetten. Ali probeerde onder de huid van Coopman te kruipen, maar zijn mentale oorlogsvoering werkte niet. Coopman verstond geen woord van wat hij zei, glimlachte gelukzalig en probeerde Ali nog te kussen ook. Meteen Ali zijn enige zorg voor zijn gevecht met Coopman:
“This sucker doesn't understand English."
Wat hem er niet van weerhield Coopman een gesigneerd exemplaar van zijn biografie cadeau te doen.
Voor Coopman stopte het mediacircus niet meer na de persconferentie in New York. Coopman werd geleefd. De wereldpers kwam afgezakt naar het rijhuisje in de Zwanestraat in Ingelmunster, waar de artistieke arduinkapper trainde en woonde met zijn toenmalige echtgenote Eliane en hun drie kinderen. Eerst vertelde Coopman nog aan de journalisten dat hij zijn best ging doen, maar dat perspraatje kon beter, vonden de Amerikaanse promotoren. Gewaagde uitspraken moesten ze hebben, grootspraak. Dat lag niet in Coopmans aard, hij moest zich forceren. Hij deed echter zodanig zijn best dat hij zelf in zijn kansen begon te geloven en er rotsvast van overtuigd raakte dat hij met een verbeterde imitatie van zijn groot idool Joe Frazier “de mythe Ali” kon vernietigen.
Coopman viel wreed van zijn geloof, toen tijdens de kamp de eerste linker landde:
“Van bij de eerste klappen die ik moest incasseren, zat ik al op de paardenmolen. Ali speelde met mij. Hij bokste ontspannen en precies dan is een bokser het gevaarlijkst, stoot hij het scherpst. Ik had direct door dat het erop aan kwam zo snel mogelijk uit die ring te geraken. Toen de aftelling voor de kamp al begonnen was, had men mij nochtans gevraagd rustig van start te gaan. Ik wou daar niet van weten en ging onmiddellijk in de aanval. Dat is mijn geluk geweest, zo heeft het maar vijf in plaats van vijftien ronden geduurd en heb ik mijn verdere bokscarrière gered. Hoe meer ik vooruit ging, hoe meer slaag ik kreeg. Het bleef gelijk hoe ik mijn dekking hield, ik werd geraakt langs alle kanten. Ik zag al niet klaar meer van in de eerste ronde, het was dan ook niet zo moeilijk om in de vijfde ronde in elkaar te zakken op die rechtse. Had ik langer in de ring gestaan, dan was ik misschien gebroken geweest voor de rest van mijn leven.”

Coopman trok inderdaad manmoedig in de aanval, tot Ali in de vijfde ronde zijn last dance opvoerde, floating like a butterfly, stinging like a bee. Deed denken aan de Ali uit de jaren '60, misschien zelfs aan Cassius Clay van nog vroeger. Met nog 14 seconden te gaan in ronde vijf was het voorbij. 41 seconden langer stand gehouden dan Richard Dunn drie maanden later in München. Dunn kreeg alle lof toegezwaaid van de pers voor zijn alles-of-niets-aanpak, terwijl de kritiek voor Coopman niet mals was. Een mismatch, een schande, een farce, belachelijk, ridicuul. De leeuw was niet meer dan een pussycat.
Ali was een stuk milder in zijn oordeel:
“Toegegeven, Coopman was geen geweldenaar, maar hij is een gentleman. Zijn trainer is een vriendelijke vent, zijn vrouw is ook vriendelijk. Zijn hele team, allemaal aardige mensen. Goedlachs, iedere dag. I’m sorry we had to fight.”
Voor Ali moet het een opluchting geweest zijn, na al die opgefokte agressie die hem al jaren achtervolgde en die hij dikwijls ook zelf uitlokte door zijn tegenstanders verbaal te jennen voor, tijdens en na de kamp. Hij ontving Coopman, zijn begeleiders en enkele supporters na afloop op zijn kamer in het El San Juan Hotel voor een gemoedelijke babbel in een ontspannen sfeer. Ali had lovende woorden over voor Cooperman en gaf hem ook enkele tips voor de toekomst:
“Be a little more vicious … More work on the heavy bag.”
Tot Coopman er genoeg van had en zelf een einde maakte aan het gezellig samenzijn:
Coopman: “Yeah, yeah, yeah, yes, we gaan voort hé. Ali, dank you.”
Supporter: “Ik dank you very much. You was a flink boy."
Ali: “I'm glad to give you a chance. Thank you.”
Supporter: “The propagandist van de boks.”
Ali: “Thank you.”
Eliane: “Bye.”
Supporter: “Ali, good luck.”
Eliane: “Goodnight.”
Supporter: “Bye, bye.”
Supporter: “Ne vree man hé.”
En weg waren ze, Coopman en zijn supporters, naar een leven na Ali, maar geen dag meer zonder. Mark Kram, toen journalist voor Sports Illustrated, keek hen na. Hij zag hoe ze aan de eetkraampjes tegenover hun hotel de innerlijke mens versterkten met vrachtladingen sandwiches en hun verdriet verdronken met emmers bier. Een bijzonder hartelijk volk. Hij luisterde naar hen tussen happen en slikken door. Of supportersclub Keihard zou blijven voortbestaan, daar was hij nog niet zo zeker van. Wat hij wel wist, was dat Coopman voor altijd zou zijn. Want dat was de magie van Ali. Los van winst of verlies, al wie met hem de ring had gedeeld, al was het minder dan een ronde, kreeg een stukje onsterfelijkheid mee.

Kram schreef het artikel. Een foto van de kamp haalde zelfs de cover van Sports Illustrated. Daarmee is Jean-Pierre Coopman tot nu toe de enige Belg die de cover van het wereldvermaarde sportblad heeft gehaald.
De keerzijde van Ali is echter dat hij als een zonsverduistering over alles en iedereen heen hangt. Dat vindt Coopman wel jammer, want de meeste mensen zijn vergeten dat hij na Ali nog Europees kampioen zwaargewicht werd. Een jaar en nog geen maand later was dat, in het Sportpaleis van Antwerpen – toen nog lang geen AFAS Dome. Gewonnen van José Manuel Urtain. Die mannetjesputter uit Spaans Baskenland stond toen lang niet meer zo scherp als in het begin van de jaren '70 en ging knock-out in de vierde ronde. Coopman, opvolger van Pierre Charles en Karel Sys. Geen Belgische bokser die het hem tot op heden heeft nagedaan. HIj mocht die Europese kroon maar even lenen van Lucien Rodriguez en moest die bij zijn eerste titelverdediging al meteen inleveren bij de Fransman. Rodriguez, voor Coopman een witte Ali.
Wat Coopman zo bijzonder maakt, is niet zozeer zijn kamp met Ali, dan wel zijn weg naar Ali. Tussen de twee bovenstaande foto’s ligt amper zes jaar tijd. Op de eerste foto uit 1970 zien we Coopman op de fiets tijdens de looptraining van zijn boezemvriend Gilbert Monteyne, kampioen van België in het halfzwaar bij de profs. Op de tweede foto probeert Coopman zich zo goed mogelijk te beschermen tegen een slagensalvo van Ali. Coopman over hoe het allemaal begon:
“Op mijn vierentwintigste was ik een wrak. Ik was kampioen aan de toog en kettingroker. Alleen als ik sliep, had ik geen sigaret in mijn mond. Wel vergezelde ik regelmatig mijn vriend en halfzwaargewichtbokser Gilbert Monteyne naar de training. Het is daar dat ik mijn latere manager Charles De Jager heb leren kennen. Voor een boksexhibitie in Rumbeke (zomer 1970) had hij nog een tegenstander nodig voor Monteyne. Gilbert, met wie ik af en toe oefende op zijn zolderkamertje, stelde mij voor als opponent. Charles had mij nog nooit aan het werk gezien maar liet zich toch overhalen door Gilbert. Toen hij mij zag boksen, was hij stomverbaasd. Veertien dagen later bokste ik een tweede exhibitiewedstrijd tegen Gilbert, deze maal in Izegem. Er waren daar nog andere managers aanwezig, Achile Wimme en Etienne Goublomme, die me net als Charles aanraadden een bokslicentie aan te vragen. Dat deed ik. Ik stopte van de ene dag op de andere met roken en drinken en veranderde in een trainingsbeest.”
Op 12 september 1970 maakte hij voor eigen volk in Izegem zijn debuut bij de liefhebbers. Hij verloor door diskwalificatie in de derde ronde van Willy Bosch, later voorzitter van de nationale boksbond. Niet geluisterd naar de scheidsrechter en uitgehaald na het stopbevel. Bosch knock-out, maar het telde niet.
Na amper 26 liefhebberskampen, waarvan hij er 12 won, 10 verloor en 4 onbeslist zag eindigen, stapte Coopman over naar de profs. Op 29 september 1972 opende hij zijn profrekening met een zege door de Duitser Norbert Suehrig in de derde ronde te stoppen. 23 overwinningen en drie nederlagen later stond hij in de ring tegenover Ali.
Het maakt Coopman de meest onwaarschijnlijke challenger om de wereldtitel in het zwaargewicht.
Ali is dood (1942-2016). Joe Frazier (1944-2011), Ken Norton (1943-2013) en George Foreman (1949-2025) zijn dood. Van de 53 tegenstanders van Ali in de profrangen zijn er nog slechts tien in leven. Jean-Pierre Coopman (1946-) is een van hen. 2026 is een bijzonder jaar voor hem. Eerst is er het gouden jubileum van zijn kamp met Ali en bij leven en welzijn wordt hij, zoals het een Leeuw van Vlaanderen past, op 11 juli tachtig.
Stuur hem gerust een kaartje zoals dat in de jaren ’70 nog de gewoonte was.

Adres: Jean-Pierre Coopman
Grote Markt 14 – App. 4A
9120 Beveren